Wat is een gedicht?

wat-is-een-gedichtMeestal gaat het bij een gedicht om een geschreven tekst die je herkent aan plots afgebroken regels en korte ‘alinea’s’ (strofen). Daarnaast wil de schrijver (dichter) graag dat het gedicht iets met je doet. Bijvoorbeeld dat het een emotie bij je oproept. Of dat je erdoor gaat nadenken. Of dat je het simpelweg ‘mooi’ vindt. Gedichten behoren tot het literaire genre van de poëzie.

Ik wil er direct bij zeggen: bovenstaande omschrijving klopt op zich wel, maar schiet tegelijkertijd aan alle kanten tekort. Want wat een gedicht ‘is’, is onmogelijk te omschrijven op een manier die recht doet aan alle gedichten die er ooit geschreven zijn. Een gedicht kan vele vormen aannemen. Geen dwangbuis die op al die verschijningsvormen past.

Het liefste sluit ik me aan bij wat Ellen Deckwitz zegt over wat een gedicht is:

“Je kunt een verhaaltje een gedicht noemen, of een grapje dat uit twee regels beslaat, of een speech van Mark Rutte. Een gedicht is dus een gedicht omdat de maker het zegt. (…) Dan gelden er opeens andere interpretatieregels.”

– Ellen Deckwitz, uit: Zo word je een geweldige dichter (2015)

Wanneer een tekst tot ‘gedicht’ wordt verklaard, kun je ‘een bepaalde leeshouding [aannemen]’, aldus Deckwitz.

Volgens deze omschrijving kan dus letterlijk elke tekst een gedicht zijn, en dat kán ook. Iedereen kan iedere willekeurige tekst tot een gedicht verklaren. Vanaf dat moment zullen we die tekst anders gaan lezen. Zo zijn bijvoorbeeld de beroemde commentaren van Jack van Gelder bij doelpunten van Nederland op het WK in Zuid-Afrika in 2010 als gedichten gepubliceerd in de bundel Hij zit erin!

Of een tekst automatisch een goed gedicht wordt door het tot poëzie te verklaren? Nee, dat is uiteraard niet zo. In het geval van het radiocommentaar van Van Gelder: persoonlijk luister ik liever naar de audiofragmenten.

Er valt nog veel meer te zeggen over wat een gedicht ‘is. Daarom ga ik hieronder in op mogelijke kenmerken van een gedicht, welke soorten gedichten er zoal zijn, en beantwoord ik nog enkele andere veelgestelde vragen over gedichten.

Inhoudsopgave:

Kenmerken

Waaraan herken je een gedicht? Zoals hierboven al staat: er zijn eigenlijk geen ‘vaste’ kenmerken die ieder gedicht heeft. Wel zijn er natuurlijk kenmerken die (heel) vaak voorkomen. Een aantal daarvan bespreek ik hieronder kort (mét voorbeelden), op alfabetische volgorde:

Beeldspraak / metafoor

Bij beeldspraak in een gedicht gebruik je een beeld om iets anders te zeggen dan wat er staat. Dit noem je ook wel een metafoor. Het is daarbij belangrijk dat het beeld dat je gebruikt, eigenschappen deelt met datgene wat je éigenlijk bedoelt.

Beeldspraak kom je ook buiten gedichten heel vaak tegen. Bijvoorbeeld:

  • Een reus van een vent
  • Zij heeft een hart van goud
  • Lakens zo wit als sneeuw

In gedichten is het vaak wel uitdagender om de metaforen die de dichter gebruikt, te interpreteren. Ook weten goede dichters clichébeelden te vermijden en met treffende, originele beeldspraak te komen. Neem bijvoorbeeld dit ietwat lugubere gedicht van de al eerder genoemde Ellen Deckwitz:

 

Langs wateraders hangt een raam in de lucht,
het skelet van de bouwtekening valt
weg. Holle palen, fluisterpijpjes hel.

De zoldering houdt zijn afgestroopte klauwen
dwars over de nokbalken, ik lig eronder
met de handen voor de mond, hopelijk
horen ze me wel.

Mijn broertje neemt krakend naast me plaats,
een oog hangt in zijn hoofd. Hij houdt de handen
boven me gebogen, fluistert dat hij niet instorten zal.

 

– Ellen Deckwitz, uit: De steen vreest mij (2011)

Climax

Bij een climax werkt de dichter in het gedicht naar een hoogtepunt toe. Als een gedicht opsommend is, bijvoorbeeld, kan ieder deel van de opsomming steeds in kracht toenemen. Tot er een climax bereikt wordt. Van dit stijlfiguur maakte ik gebruik in het gedicht ‘Hoeveel’:

Hoeveel

Hoeveel crypto’s in de cloud
bommen voor de vrijheid
bidden tot je god

hoeveel wc’s in een museum
schreeuwen naar je ster
retweets van je oordeel

hoeveel lezers van je vers
stemmen op je leider
bijval voor je vonnis

hoeveel nullen, kunst, kopers
passie, liefde, geloof
duimpjes sterren likes–

hoeveel lucht vult leegte?

 

– Arjan Jonker, Hoe smeer ik een cracker zonder tranen (2021)

Enjambement

Het enjambement is misschien wel het meestvoorkomende kenmerk van een gedicht. Bij een enjambement breekt de dichter een versregel op een ‘onnatuurlijke’ plek af. Oftewel: waar normaal gesproken de regel gewoon doorloopt, wordt die in het gedicht plotseling afgebroken. Dat doet de dichter om een bepaald effect te creëren. Bijvoorbeeld in deze regels van een gedicht dat ik lang geleden schreef:

 

wij willen spelen aan jouw

zijde

waaraan sterk jouw leven hangt

 

– Arjan Jonker, Langs de zijlijn van jouw leven (2001)

Hyperbool

Een hyperbool kun je ook ‘overdrijving’ noemen. Dat maakt de betekenis direct al duidelijker: bij een hyperbool overdrijft de dichter dus. Daarvoor kan hij/zij allerlei redenen hebben. Bijvoorbeeld om een contrast te creëren. Of om aan te geven hoe sterk een emotie was.

In onderstaand gedicht gebruik ik hyperbolen om aan te geven hoe groots de gebeurtenis voor mij was:

Epiek

oceanen rezen
zeeën verzwolgen

vulkanen barstten
bergen verbrokkelden

sterren explodeerden
zonnen verbrandden

hemelen daalden en
goden bezweken?

nee, niets van dat alles:

jij werd geboren

 

– Arjan Jonker, uit: 42 weken tot jij (2010)

Metrum / ritme

Een ander woord voor metrum is ‘ritme’. Dat geeft direct goed aan wat metrum is: het ritme van een gedicht. Dat ritme kan regelmatig zijn, maar ook onregelmatig. Vooral klassiekere gedichten hielden zich aan strakke ritmes. Dan volgde een onbeklemtoonde lettergreep steevast op een beklemtoonde.

Eén van mijn favoriete gedichten is The Raven van Edgar Allen Poe. Dat heeft deels te maken met het prachtige ritme, zoals in deze regels:

 

And the silken, sad, uncertain rustling of each purple curtain

Thrilled me—filled me with fantastic terrors never felt before;

 

– Edgar Allen Poe, The Raven (1845)

Opsomming / enumeratie

Als een opsomming (of: enumeratie) in een gedicht gebruikt wordt, worden bepaalde dingen achtereenvolgens opgenoemd. Daarmee wil de dichter iets benadrukken.

Hierboven spraken we al over de ‘climax’, die vaak aan het einde van zo’n opsomming komt. Zie ook het gedicht bij dat stijlfiguur; daarin zit ook een opsomming.

Paradox

In een paradox worden 2 zaken genoemd, die ogenschijnlijk niet verenigbaar zijn. Oftewel: ze lijken tegenstrijdig, maar blijken of hoeven dat toch niet te zijn. Dat kan in een gedicht erg mooi werken.

Paradoxen werken vaak ook heel mooi als oneliners. Een mooi voorbeeld komt van Oscar Wilde: ‘Geen enkele goede daad blijft ongestraft.’

Personificatie

Bij een personificatie geeft de dichter menselijke eigenschappen aan:

  • iets wat levenloos is (zoals een stoel),
  • aan een dier (zoals een miereneter),
  • of aan een abstract begrip (zoals woede).

Zoals bijvoorbeeld in het volgende gedicht, dat vol personificaties zit:

Bommen

De stad is stil.
De straten
hebben zich verbreed.
Kangeroes kijken door de venstergaten.
Een vrouw passeert.
De echo raapt gehaast
haar stappen op.

De stad is stil.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie vier bommen op het
plein
en drie vier huizen hijsen traag
hun rode vlag.

 

Paul Rodenko, uit: Gedichten (1951)

Pleonasme

In een pleonasme wordt een eigenschap van een zelfstandig naamwoord ‘onnodig’ genoemd in een bijvoeglijk naamwoord. Het bekendste voorbeeld is wel ‘witte sneeuw’. Maar denk ook aan ‘heet vuur’ of ‘natte regen’.

Rijm

Wat rijm is, hoef ik waarschijnlijk niet uit te leggen. Het is belangrijk om te noemen dat een gedicht absoluut niet hoeft te rijmen. Dat maakt het niet meer of minder een gedicht.

Natuurlijk rijmen veel gedichten wél. Vooral gedichten die – pakweg – vóór 1950 geschreven zijn. Let op: er zijn verschillende soorten rijm náást eindrijm (wat mensen vooral met gedichten associëren).

Ik leg nog enkele begrippen kort uit die met rijm te maken hebben:

  • Rijmschema: welke regels op elkaar rijmen, uitgedrukt in letters. Bijvoorbeeld: aabb, waarbij de regels gepaard op elkaar rijmen. Of abab, waarbij de regels om en om rijmen.
  • Halfrijm: wanneer woorden niet volledig op elkaar rijmen (zoals ‘hak’ en ‘tak’), maar slechts een gelijkheid in klank hebben (zoals ‘kat’ en ‘tak’ of ‘weer’ en ‘woord’).
  • Assonantie: klankgelijkheid in klinkers.

Strofe

Een strofe is een ‘alinea’ of een ‘couplet’ van een gedicht. Je kunt dus ook zeggen dat een strofe een ‘deel van het gedicht’ is.

Sommige soorten gedichten hebben een vaste strofebouw, zoals het sonnet: een sonnet begint met 2 strofen van beide 4 regels, waarna de laatste 2 strofen beide 3 regels hebben.

Een strofe van 5 regels heet ook wel een ‘kwintet’ (quintet). Een strofe van 6 regels heet dan weer een ‘sextet’.

Thema

Ieder gedicht heeft (in meer of mindere mate) een thema. Wanneer je dat thema weet, kan het makkelijker zijn om de regels te interpreteren. Zo kan het thema ‘liefde’ zijn, maar ook ‘dood’ of ‘verdriet’. In principe kan ieder onderwerp ook als thema dienen.

Versregel

Een versregel is een regel in een gedicht. Ingewikkelder kan ik het niet maken. 😉

Wending

Een wending in een gedicht geeft een omslag aan. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de toon of het thema ‘opeens’ verandert. In het sonnet is de wending zelfs voorgeschreven: na de 8ste regel ‘moet’ er een omslag zijn, van wat voor aard dan ook.

Onderstaand sonnet bevat zo’n wending:

 

‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief.’ Zo sprak mijn lief mij toe,
dewijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.
De woordjes alle drie, wel klaar en wel bescheiden,
vloeiden mijn oren in, en roerden (‘k weet niet hoe)

al mijn gedachten om, staag malend, nimmer moe;
die ‘t oor mistrouwden en de woordjes wederleiden.
Dies ik mijn vrouwe bad mij klaarder te verbreiden
haar onverwachte reên; en zij verhaald’ het doe.

O rijkdom van mijn hart, dat overliep van vreugden!
Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden.
Maar toen de morgenstar nam voor den dag haar wijk

is, met de klare zon, de waarheid droef verrezen.
Hemelse goôn, hoe komt de schijn zo na aan ‘t wezen,
het leven droom, en droom het leven zo gelijk?

 

P.C. Hooft (1906)

Soorten

Wat voor soort gedichten zijn er? Hieronder bespreek ik er een flink aantal en geef van iedere dichtvorm een voorbeeld.

Let op: dit zijn niet ‘alle’ soorten gedichten die er zijn. Er zijn er nog veel meer.

ABC-gedicht

In een ABC-gedicht beginnen de regels steeds met een opvolgende letter van het alfabet. Het heet ook wel een ‘abecedarium’. Deze dichtvorm zul je in een dichtbundel niet snel tegenkomen. De vorm is vooral nog populair op huwelijksfeesten, waarbij familieleden het bruidspaar met een ABC-gedicht ‘in het zonnetje zetten’.

Het kan bijvoorbeeld zo gaan:

 

A is voor Anton,
die heeft nu zijn bruid.
B is voor boeren,
die laat hij straks luid.

(Etc.)

Autonoom gedicht

Een zuiver autonoom gedicht gaat over taal en poëzie zelf. Zo’n gedicht beschouwt bijvoorbeeld zichzelf, of de (on)mogelijkheden van de taal.

Dit is zo’n autonoom gedicht:

Poëzie

Eerst is het dat vage in de verte
alsof alliteratie het al voorspelde.

Je tuurt door:

witregels als witregen
die meer willen weten.

Je stelt je open voor

het oprukkende ritme, reikend
rijm dat moet raken.

Je schrikt van ambigue

maar een wending, alwetend
verleent plots wijsheid.

En eindelijk:

botsingen van betekenis
zolang het duurt.

Dat is wat poëzie was.
Is. Zal zijn:

kracht
in slow-motion.

 

– Arjan Jonker (2008)

Ballade

Een ballade is een gedicht (of een lied) waarin een verhaal verteld wordt. Deze vorm is al in de middeleeuwen ontstaan. Daarom ook een voorbeeld uit die tijd (en omdat het één van mijn favoriete gedichten is):

 

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn.
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.
Nu bestu in den troon verheven
Claerre dan der zonnen scijn.
Alle vruecht es di ghegheven.

 

– auteur onbekend (+/- 1400)

Cyclisch gedicht

In een cyclisch gedicht komt het begin van het gedicht terug aan het einde. Zoals, bijvoorbeeld, in dit gedicht:

Dada-gedicht

In een dada-gedicht mag letterlijk alles: alle regels rond taal en vorm zijn verdwenen. Zinnen hoeven niet te kloppen, de regels mogen alle kanten uit schieten, woorden mogen verschillen van grootte en hoeven niet juist gespeld te zijn, etc. Zoals in dit gedicht:

- Johnny van Doorn (of: Johnny de Selfkicker) (1970)

Johnny van Doorn (of: The Selfkicker) (1970)

Elfje

Een elfje is een gedicht dat precies 11 woorden telt, verdeeld over 5 regels:

  • De 1e regel telt 1 woord
  • De 2e regel telt 2 woorden
  • De 3e regel telt 3 woorden
  • De 4e regel telt 4 woorden
  • De 5e regel telt 1 woord, dat het gedicht samenvat, of een kwinkslag bevat

Op basisscholen zijn elfjes een populaire vorm om kinderen met poëzie te laten experimenteren.

Het volgende gedicht is een elfje, en gaat als volgt:

 

botten

kunnen breken

zoals mijn been

dat noem je dus

kraakbeen?

 

– Arjan Jonker (2020)

Episch gedicht

In een episch gedicht vertelt de dichter een verhaal. Meestal over grootse gebeurtenissen, bijvoorbeeld heldendaden van bepaalde personages. Epische gedichten zijn vaak ook (veel) langer dan andere soorten gedichten.

Een voorbeeld van een episch gedicht is Mei van Herman Gorter. De 1e regels daarvan zijn heel bekend, en gaan als volgt:

Mei

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht –
In huis was ’t donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels in mijn raamkozijn.

 

– Herman Gorter, Mei (fragment, 1889)

Flarf-gedicht

In een flarf-gedicht maakt de dichter een collage van Google-zoekresultaten. Dus je voert een zoekterm in, en gebruikt wat Google presenteert als basis voor je gedicht.

Daarbij kun je de teksten letterlijk overnemen, maar ook gedeeltelijk. Je mag er eigen woorden en zinnen aan toevoegen, en de regels schikken naar eigen inzicht.

Tegenwoordig kun je overigens ook flarf-gedichten maken buiten Google om. Zo riep neerlandistiek.nl op om tijdens het EK Voetbal in 2021 te flarfen op basis van het commentaar bij de wedstrijden. Zo ontstond 2 jaar eerder al bijvoorbeeld de volgende flarf:

Niet ongevaarlijk (Frankrijk tegen België, halve finale WK Voetbal, 10 juli 2018)

De trouwe luitenant,
hij is rustiger geworden.
Hij heeft een computer
in zijn hoofd zitten,
een externe harde schijf,
die kan niet alleen lopen.

De drukte neemt toe,
iedereen wijst.
De stress neemt toe,
hij hoort het suizen,
ingesloten, moeilijk.
Dan gaat ‘ie zwerven,
rustig schuiven,
even contact zoeken.

Ze proberen tussen de lijnen te lopen,
even knijpen naar een kant,
maar er is weinig ruimte,
zwervend door het veld,
terug om de bal te voelen.

 

Kila van der Starre (2018)

Gedichtencyclus

Een gedichtencyclus bestaat uit een aantal gedichten, die op de een of andere manier bij elkaar horen. Bijvoorbeeld omdat ze hetzelfde thema hebben. Of omdat ze samen een verhaal vormen.

Een mooi, recent voorbeeld van een gedichtencyclus is Wakend over God, de laatste bundel van Joost Zwagerman. De gedichten hebben een overkoepelend thema, namelijk de geloofsstrijd van de ik-persoon.

Ik kan hier natuurlijk niet alle gedichten uit deze bundel publiceren. Maar hieronder staat wel het 1e gedicht uit de bundel. Omdat het zo mooi is.

Contact

Iemand belt mij telkens op, zegt niets,
vaag hoor ik een verre ademtocht,
het kan de mijne zijn, maar ook die
van de ander, die hardnekkig zwijgt.
Ik leg weer op. Ben nu een man
die vreemde telefoontjes krijgt.

De display toont een nummer
met de code van een land dat ik niet ken.
Ik toets terstond, een voicemail klinkt.
‘Hallo met God, Ik ben er niet.
Laat naam noch boodschap achter,
Ik bel nooit terug. Leef rustig verder,
wacht desnoods tot piep, maar zwijg.’

Prompt word ik door de beller toch teruggebeld.
Weer hoor ik niets, hooguit die vage adem.
Ik ben de man die stil zijn hartslag telt.

Ooit bel ik Hem terug en zeg dan
wél iets na de piep. Dat doe ik niet meteen.
Ik wacht tot ik een geheim nummer krijg.

Die dag is nu, contact is hier. Ik toets
het nummer in. Krijg geen gehoor. Hij was me
voor. Hij heeft mijn nummer ingesteld.

 

– Joost Zwagerman, uit: Wakend over God (2016)

Google-gedicht

Een Google-gedicht is opgebouwd uit suggesties die de zoekmachine geeft, wanneer je een zoekopdracht intoetst. Je krijgt dan bijvoorbeeld het volgende:

Onthoud dat

Onthoud dat.
Onthoud dat goed.
Onthoud dat ik van je hou.

Onthoud dat of onthoudt dat?
Onthoud dát maar…

 

– Arjan Jonker (2021)

Google-gedicht

Haiku

Een haiku is een dichtvorm die uit Japan is overgewaaid. De regels zijn:

  • Het telt 3 regels
  • Regel 1 telt 5 lettergrepen
  • Regel 2 telt 7 lettergrepen
  • Regel 3 telt weer 5 lettergrepen

In z’n klassieke vorm gaat een haiku over een ervaring die meestal in de natuur opgedaan wordt. Maar je hoeft je daar niet aan te houden; een haiku kan over alles gaan. Zoals deze:

 

vergeten boten

langs de kade en ik voel

mij ja, verlaten

 

– Arjan Jonker (2008)

Klankgedicht

In een klankgedicht gaat het puur en alleen om de klanken van de woorden. De betekenis speelt geen enkele rol van – euh – betekenis. Zoals in het volgende (beruchte) gedicht:

Oote

Oote oote oote
Boe
Oote oote
Oote oote oote boe
Oe oe
Oe oe oote oote oote
A
A a a
Oote a a a
Oote oe oe
Oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe oe oe
Oe oe oe etc.
Oote oote oote
Eh eh euh
Euh euh etc.
Oote oote oote boe
etc.
etc. etc.
Hoe boe hoe boe
Hoe boe hoe boe
B boe
Boe oe oe
Oe oe (etc.)
Oe oe oe oe
etc.
Eh eh euh euh euh
Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh
Ah ach ah ach ach ah a a
Oh ohh ohh hh hhh (etc.)
Hhd d d
Hdd
D d d d da
D dda d dda da
D da d da d da d da d da da
da
Da da demband
Demband demband dembrand dembrandt
Dembrandt Dembrandt Dembrandt
Doe d doe d doe dda doe
Da do do do da do do do
Do do da do deu d
Do do do deu deu doe deu deu
Deu deu deu da dd deu
Deu deu deu deu

Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur
Kneu kneu ote kneu eur
Kneu ote ote ote ote ote
Ote ote oote
Ote ote
Boe
Oote oote oote boe
Oote oote boe oote oote oote boe

 

Jan Hanlo (1952)

Limerick

Een limerick is een – vaak komisch – gedicht met een vaste vorm qua ritme en rijmschema. De grap is vaak dubbelzinnig. In de praktijk ziet het er zo uit:

 

Een volslanke dame uit Asten
Wilde niets weten van vasten.
Want zij had veel trek
In lekkere snack.
En liever de lusten dan lasten.

 

André van Duin

Literair gedicht

Wat een ‘literair’ gedicht is, is een hele goede vraag. In ieder geval is een gedicht ‘literair’ wanneer het tot de literatuur gerekend wordt door uitgeverijen en recensenten.

Maar is dat het enige criterium? Nee, want ook een gedicht dat nooit uitgegeven wordt, kan wel degelijk literair zijn. Hetzelfde geldt voor gedichten die recensenten ‘slecht’ vinden.

Gedichten kunnen ook pas jaren later tot de literatuur gerekend worden. Een beetje zoals de schilderijen van Van Gogh pas na zijn dood ‘kunstwerken’ werden.

‘Literair’ is dus vooral een stempel, een label, dat door anderen aan een gedicht toegekend wordt.

Lyrisch gedicht

In een lyrisch gedicht beschrijft de dichter zijn gevoelens. Deze gedichten zijn meestal wat minder verhalend. En beschrijven bijvoorbeeld een verliefdheid of verdriet. Zoals het volgende gedicht:

The World Is Too Much With Us

The world is too much with us; late and soon,
Getting and spending, we lay waste our powers;—
Little we see in Nature that is ours;
We have given our hearts away, a sordid boon!
This Sea that bares her bosom to the moon;
The winds that will be howling at all hours,
And are up-gathered now like sleeping flowers;
For this, for everything, we are out of tune;
It moves us not. Great God! I’d rather be
A Pagan suckled in a creed outworn;
So might I, standing on this pleasant lea,
Have glimpses that would make me less forlorn;
Have sight of Proteus rising from the sea;
Or hear old Triton blow his wreathèd horn.

 

William Wordsworth (1807)

Macaronisch gedicht

In een macaronisch gedicht worden 2 talen gemixt om een komisch effect op te roepen. Bijvoorbeeld:

Opstel voor Frans

De reis was het begin van de vakantie
We reden over Luxemburg naar Nancy
Toen door naar Lion, het was warm en ver
Maar na een halve dag was daar: la mer

Toen ik daar later heen ging om te zwemmen
Lag er in de soleil een blonde femme
Ik vroeg die meid: ‘Hé, common tu t’apelles?’
Ze kwam uit Rotterdam, haar naam was Elles

En er ontstond directement iets leuks
We waren beiden heel erg amoureux
Toen moest ze weg – haar ouders hadden herrie –
Dus ik nam huilend afscheid van mon chérie

Omdat uw vak het leukst, op Engels na, is
Sprak ik met haar de hele tijd Français

 

Quirien van Haelen, uit: Vader & Zoon (2009)

Naamgedicht

In een naamgedicht vormen bepaalde letters van het gedicht een woord of zin. Meestal gaat het dan om de beginletter van iedere regel. Zoals in het volgende naamgedicht:

 

Oh, wat is het hierbinnen knus.
Poes ligt gekruld voor de vlammen.
En ik kom net bibberend van buiten.
Nu trek ik snel mijn huispak aan.

Hoi Poes, mag ik bij je liggen?
Ach, kruip je bij me op schoot?
Aai Poes, spin Poes, slaap Poes.
Raar dat ik *gaap* opeens ook zo moe ben.
Direct val ik nog in zzzzslaaaaaaaaaaaap…

 

– Arjan Jonker (2020)

Palinodie

In een palinodie-gedicht wordt een uitspraak die eerder gedaan is, weer ingetrokken (ontkend of tegengesproken) door de dichter. Er kan zelfs een gedicht herroepen worden. Dit is dus ook een vorm van zelfkritiek in de dichtkunst.

Plint-gedicht

Plint is geen dichtsoort, maar een bedrijf dat gedichten met beeldende kunst combineert. Dat levert prachtige posters op, die je bij Plint kunt bestellen. Enkele staan hieronder afgebeeld.

Daarnaast verkopen ze gedichten op bijvoorbeeld glazen, kussenslopen en kerstballen. Zeer, zeer aanbevolen!

- Bert Schierbeek (gedicht) & Kees de Goede (beeld)

Bert Schierbeek (gedicht) & Kees de Goede (beeld)

- Nannie Kuiper (gedicht) & Francesca Vonck (beeld)

Nannie Kuiper (gedicht) & Francesca Vonck (beeld)

Rondeel

In een rondeel worden hele regels (meerdere keren) herhaald in het gedicht. Een traditioneel rondeel telt 8 regels, waarbij regels 1, 4 en 7 gelijk zijn, evenals regels 2 en 8.

Hieronder een voorbeeld:

Moe

Zo vaak voel ik mij zo vreselijk moe
van al het kleins dat bij het leven hoort:
de afwas, de tandarts en ander gedoe.
Zo vaak voel ik mij zo vreselijk moe
van mijn vrouw die mij beveelt: ‘Doe dit! Doe
dat!’ Moe ben ik van ruzie om één woord.
Zo vaak voel ik mij zo vreselijk moe
van al het kleins dat bij het leven hoort.

 

Robin Kerkhof

Schaakbordgedicht

Een schaakbordgedicht kom je niet vaak tegen, en is dan ook zeer bijzonder, óók in vorm. Zo’n gedicht wordt letterlijk in een vierkant met 8×8 vakjes geschreven. Ieder vakje bevat 1 versregel. Vervolgens kun je in alle richtingen een gedicht lezen: van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar onder, van onder naar boven én diagonaal in alle richtingen.

Een beroemd voorbeeld is Schaekberd van Matthijs de Castelein:

Schaakbordgedicht van Matthijs de Castelein

Schaakbordgedicht van Matthijs de Castelein (rond 1500)

Sinterklaasgedicht

Van alle dichtsoorten is het sinterklaasgedicht misschien wel het meest beoefend. In ieder geval door de meeste mensen. Het gaat natuurlijk om de gedichten die rond het sinterklaasfeest geschreven worden door vaders, moeders, partners, opa’s, oma’s en vrienden.

Meestal om het openen van een cadeau te vergezellen. En vaak gaat zo’n gedicht over een kenmerk of (slechte) eigenschap van degene voor wie het gedicht geschreven is.

SMS-gedicht

Een SMS-gedicht is een gedicht van maximaal 160 tekens. Dit genre is ontstaan toen je met mobiele telefoons SMS’jes (korte tekstberichten) kon versturen van inderdaad maximaal 160 tekens.

Sonnet

Een sonnet is een gedicht dat bestaat uit:

  • 14 regels
  • 4 strofen, verdeeld over 2×4 en 2×3 regels
  • Tussen de 8e en 9e regel is er vaak een wending in het gedicht

Omdat het sonnet een vrij traditionele dichtvorm is, rijmen veel sonnetten nog. En hebben ze een vast metrum. Maar dit is géén vereiste.

Ook zijn er sonnetten die ietwat afwijken van bovenstaande regels. Bijvoorbeeld omdat in het gedicht 3 strofen van 2 regels zitten, in plaats van 2 strofen van 3 regels.

Het volgende sonnet heb ik zelf geschreven:

De Stof der Taal

Niets dat jij weet dan mijn naam
en dat is niet meer dan niets
het is mij gegeven maar niet mijn faam
en zeg niet, het is tenminste iets.

Vergeet mijn woord, het is slechts vlees
verdrinken aan de oppervlakte is wat ik vrees
alsof dezelfde taal als op een nummerplaat
je vertellen kan wat er in mijn hart geschreven staat.

Maar hoe spreek ik de taal van het afwezige woord?
hoe breng ik tijdelijk het eeuwige voort?

Trek mij het shirt zonder stof aan
en ik fluister je de naam van mijn bestaan.

Alleen, het zal mijn dichtkunst ondermijnen
want zonder woorden valt er niets te rijmen.

 

– Arjan Jonker (2001)

Stiftgedicht

Een stiftgedicht ontstaat doordat je woorden wegstreept in een bestaande tekst. Je neemt bijvoorbeeld een pagina uit een boek, of een krantenartikel. Vervolgens streep je net zo lang woorden weg, totdat er een gedicht overblijft.

Een stiftgedicht hoeft overigens niets meer te maken te hebben met de oorspronkelijke tekst.

Symfonisch gedicht

Een symfonisch gedicht is eigenlijk geen gedicht, maar een muziekstuk voor een orkest. Daarin wordt wel vaak een gedicht weergegeven. Maar het kan ook om een verhaal of tafereel gaan.

Traditioneel gedicht

Wat een traditioneel gedicht is, is lastig te omschrijven. Over het algemeen heeft het te maken met de vorm van het gedicht. Typische ‘traditionele’ kenmerken zijn:

Verhalend gedicht

Een verhalend gedicht (ook wel: narratief gedicht) vertelt een verhaal. Zowel korte als lange gedichten kunnen verhalend zijn.

Onderstaand verhalend gedicht (van mij) is een voorbeeld van een narratief gedicht:

Haasje over

Hoe vaak vermoorden ouders hun kinderen?
Ik weet nog goed hoe mijn ouders mij
voor het eerst vermoordden – tot zover ik
me herinner. We gingen op vakantie.

Zes jaar oud zat ik eeuwig op de achterbank, toen
mijn vader toesloeg, wetend hoe weerloos ik was.

“Ik weet een leuk spelletje tegen de verveling!
Dode dieren tellen langs de weg.” Ik verveelde me
niet.

Tot dat moment onzichtbaar drongen ze zich
plotseling op: uiteengereten hazen, vogels, egels
vossen en in België opvallend veel reeën.

Stervend sprong ik van dier tot dier – speelde
haasje over met de dood – tot ik in Frankrijk bezweek
aan de aanblik van een kat.

“Lieverd, we zijn er”, fluisterde mijn moeder
in Spanje. Ik opende mijn ogen en keek voor het eerst
op tegen ons tijdelijk verblijf. Mijn grafsteen
die me hellend toeknikte.

 

– Arjan Jonker (2021)

Versje

Een versje is simpelweg een ander woord voor ‘rijmpje’ of ‘gedichtje’. Vaak wordt het ook wel enigszins neerbuigend gebruikt; een ‘versje’ is voor veel mensen iets anders dan een ‘gedicht’ dat tot de literatuur gerekend wordt.

Vrij gedicht

Een vrij gedicht (of: vrij vers) heeft – in tegenstelling tot een traditioneel gedicht – geen ‘last’ van vaste vormkenmerken. Zo kunnen de strofes veel van elkaar verschillen qua lengte en regellengte.

Een vrij gedicht hoeft ook niet te rijmen. En áls het rijmt, hoeft dat niet in een bepaald schema.

De meeste dichters van deze tijd schrijven vrije gedichten.

Wat is een gedichtenbundel?

Een gedichtenbundel (of: dichtbundel) is een verzameling gedichten van een dichter, uitgebracht in één boekwerk.

Een bundel kan ook gedichten van verschillende dichters bevatten. Dan spreken we van een ‘bloemlezing’.

Wat is een ‘goed’ gedicht?

Net als de vraag wat ‘goede’ poëzie is, is de vraag wat een ‘goed’ gedicht is heel lastig te beantwoorden.

Online poëziemagazine Meander schrijft hier regelmatig over. In die serie geven verschillende mensen hun visie op wat een gedicht ‘goed’ maakt. Zoals bijvoorbeeld Hettie Marzak, die het zo verwoordde:

“Er moeten beelden staan die gedurfd en origineel zijn en die opvallen. Het gedicht zelf mag bijten, schuren, pijn doen. Ik wil van mijn stuk gebracht worden. Het kan me ontroeren, me de keel dichtsnoeren met tranen en maken dat ik me tijdens het voorlezen moet afwenden van de studenten. Ik kan me ongemakkelijk voelen door het lezen van een gedicht. Het kan me hardop laten lachen elke keer als ik het lees. Het mag me dagenlang aanzetten tot nadenken en me achtervolgen met opdringerige versregels die me te pas en te onpas te binnen schieten, zoals de eerste maten van een liedje van lang geleden. Het gedicht kan met mij in discussie gaan en van mening verschillen. Het maakt niet uit door wie en voor wie het geschreven is.”

Verder lezen in deze serie over wat een gedicht ‘goed’ maakt >

Uiteindelijk is – denk ik – een gedicht goed als JIJ ‘m goed vindt. Om wat voor reden dan ook.

Wat is de functie van een gedicht?

Móet een gedicht een functie hebben? Moet een gedicht ‘nut’ hebben? Of mag een gedicht er gewoon ‘zijn’?

Voor mij zijn deze vragen eenvoudig te beantwoorden: nee, een gedicht hoeft geen functie of ‘nut’ te hebben. Een gedicht moet mij als lezer raken. Zodat ik er als mens ‘beter’ van wordt, of dieper over iets ga nadenken, of… Maakt niet uit. Zolang ik maar geráákt wordt.

En welk gedicht raakt, dat is voor eenieder weer anders. Dus zelfs als een gedicht míj niet raakt, kan het jou wél raken.

Overige vragen over gedichten?

Wat is het verschil tussen een gedicht en poëzie?

Met ‘gedichten’ worden de teksten bedoeld die samen het genre ‘poëzie’ vormen.

‘Poëzie’ kan verwijzen naar één enkel gedicht, maar ook naar het genre van de dichtkunst als geheel.

Wat betekent ‘een gedicht voordragen’?

Een gedicht voordragen betekent dat je een gedicht voorleest. Dat kan voor één persoon zijn, maar ook een groot publiek.

Meestal zorgt degene die voordraagt ervoor, dat het gedicht goed overkomt. Dat betekent dat hij/zij duidelijk spreekt, met gevoel voor intonatie en ritme. Zoals de dichters in onderstaande filmpjes:

 

Wat is een ander woord voor gedicht?

Synoniemen voor ‘gedicht’ zijn onder andere: dicht, dichtstuk, dichtwerk, poëem, poëma, vers en rijmpje. Kijk op synoniemen.net voor meer synoniemen.